nr. 64
dec 1994

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

De FNV als profeet van het ongeloof

Het is tijd om te breken

"Een algemene en vrij forse verkorting van de wekelijkse/dagelijkse arbeidstijd is op korte termijn moeilijk door te voeren. Het vereist vaak aanmerkelijke omschakelingen in de produktieprocessen en de financieringervan is praktisch onmogelijk." Een citaat uit een nota van december 1976. Flexibilisering is kennelijk nog niet 'uitgevonden', want de "omschakelingen" worden als een groot probleem gezien. Wat op de korte termijn "moeilijk" wordt genoemd, blijkt óók vandaag nog niet overwonnen te zijn. Een fraaie voorspelling dus. Welke profeet is hier aan het woord?

HET CITAAT IS één van de eindkonklusies uit de "Nota inzake het beleid van de FNV met betrekking tot arbeidstijdverkorting in de komende jaren".
Over flexibilisering wordt inderdaad niet gesproken; het heet nog "een intensiever gebruik van het produktieapparaat" en een verhoging van "de benuttingsgraad van de produktiemiddelen". In de nota wordt ook een onderzoek aangekondigd dat - hoe het ook is uitgevoerd - verregaande gevolgen heeft gehad. Het betreft de financiering van atv. "In dit verband zou onderzocht moeten worden in hoeverre de werknemers bereid zijn zelf een offer in de vorm van een loonaanpassingte brengen ten behoeve van de arbeidstijdverkorting."

Loonoffer voor magere atv

We weten inmiddels dat dit loonoffer is gebracht. Zelfs zo dat uit een internationale vergelijking blijkt dat de loonkosten in Nederland "relatief laag" zijn. Lager dan in België, Duitsland, Frankrijk en Italië (de Volkskrant 9 juli 1994, onderzoek van Hay Management Consultants in opdracht van het ministerie van Economische Zaken).
In de hete zomer krijgt dit onderzoek weinig reakties, in ieder geval niet van de vakbeweging. In een kort kommentaar kwamen werkgevers en ministerie niet verder dan een botte ontkenning van de blootgelegde feiten. Een paar maanden later was dat wel even anders, toen de hoogleraar Alfred Kleinknecht de nederlandse loonmatiging "funest voor de economie" noemde en een loongolfje van 3 tot 6 procent bepleitte (de Volkskrant, 27 september 1994). Hij werd ongeveer voor gek verklaard en uit de vakbeweging kwamen vooral gereserveerde geluiden: "Hij heeft niet goed nagedacht (...) niet allemaal onzin (...) Toch prettig dat iemand eens een ander geluid laat horen." (Lodewijk de Waal, FNV-koördinator arbeidsvoorwaarden, de Volkskrant, l oktober 1994).
Misschien zou enige loonmatiging nog te rechtvaardigen zijn, als ze gepaard was gegaan met een 'algemene en forse' arbeidstijdverkorting. Maar - en ook dat weten we inmiddels - dat is niet gebeurd. Eén illustratie, afkomstig uit een onderzoek in opdracht van de Industriebond FNV (Keuze in tijd, juni 1993). In de industrie wordt gemiddeld per week 36,4 uur gewerkt. Een vertekenend getal. Mannen komen op een gemiddelde uit van bijna 38 uur en vrouwen op bijna 26 uur (deeltijd!); met name voor mannen wordt dit cijfer nog gedrukt door de ploegendienst.

Vari-tijd en VNO/NCW

We blijven nog even bij de Industriebond FNV en komen bij het vraagstuk van de flexibilisering. We beperken ons tot de arbeidstijd. De ondernemers hebben ervoor gezorgd dat flexibilisering niet meer in vage termen wordt aangeduid. Sterker nog, het is opgenomen in het vakbondsbeleid. De bond heeft het uitgewerkt in 'Vari-tijd', een kombinatie van flexibilisering en verkorting van de arbeidstijd. Te weten een variabele werkweek van gemiddeld 36 uur: in rustige tijden 32 en bij drukte 40 uur. Behalve dat de gemiddelde arbeidsweek nauwelijks minder wordt (nu 36,4 uur, maar daar zit bijna 2,3 uur overwerk bij), is het een raadsel hoe deze vari-tijd arbeidsplaatsen vrij moet maken. Verhoging van de efficiëntie en arbeidsproduktiviteit zullen elke vrijkomende minuut opslokken. Daarentegen is glashelder hoe deze 'vondst' tegemoet komt aan de verlangens van ondernemers: het personeelbestand laten mee-ademen met de eisen van de markt. VNO en NCW hebben dat heel goed begrepen en "leggen voor het cao-overleg geen bokkade meer op arbeidsduurverkorting. Wel koppelen zij inwilliging van vakbondseisen over verkorting van de werktijd aan harde voorwaarden. Zo moet arbeidsduurverkorting flexibilisering van de produktie dienen." (Het Financieele Dagblad, 5/7 november 1994)

Dubieuze vragen

Nog even iets over dat onderzoek in opdracht van de Industriebond. Zoals altijd gaat het niet alleen om de antwoorden en konklusies, maar vooral ook om de vragen. Ze betroffen de individuele wensen van leden en niet-leden "ten aanzien van spaarregelingen voor tijd en geld in hun arbeidsvoorwaarden". De CAO naar individuele maat dus. De vooronderstelling is daarbij wel dat die wensen alleen gehonoreerd kunnen worden als mensen ervoor willen betalen. Even vanzelfsprekend lijkt het dat de mogelijkheid van een 'algemene en forse' arbeidstijdverkorting niet ter sprake komt. Tja, uit een fruitautomaat komt ook geen fruit.
Een vergelijkbaar probleem doet zich voor in een recente, telefoniese enquête van de bond, waaraan een kleine 12.000 leden deelnamen (juni/juli 1994). Daaruit blijkt dat 65 procent de vari-tijd aantrekkelijk vindt. Dat is niet verrassend, want in de vraag staat "als dit werkgelegenheid oplevert". En als er, zoals te verwachten is, geen werk bij komt? Zal de vari-tijd dan ook omhelsd worden?
Bij een andere vraag kunnen mensen het belangrijkste middel aangeven "om werkgelegenheid te bevorderen". Voor een kollektieve atv, zonder verdere toelichting, kiest 17 procent. Gegeven het beleid van de bond en de daarmee opgedane ervaringen - kleine stapjes, geen werk erbij, moeilijk opneembare atv-dagen, inleveren - is dat een verbazingwekkend hoog percentage. Kortom, deze bij bonden populaire 'ledenraadpleging' is zeer dubieus, maar wordt wel gebruikt als rechtvaardiging van het beleid.

Loonbehoud is loonbehoud

Tot slot nog een vraag uit die telefoniese enquête. "Bent U bereid om voor het creëren of behoud van werkgelegenheid binnen uw bedrijf of bedrijfstak af te zien van een loonsverhoging?" Ruim tweederde zei 'ja'. Maar let ook hier op de formulering van de vraag. Het gaat niet over loonverlies, maar loonbehoud. FNV Magazine (25 augustus 1994) kopt in kleur "Grote steun werk voor inkomen!". Dat is wat anders dan 'werk én inkomen', want dat zeggen de mensen. De bond zet in op een looneis van maximaal 2,25 procent, de verwachte prijsstijging voor 1994. Bekend is nu al dat dit percentage zal sneuvelen (gemiddelde prijsstijging sinds l november 1993: 2,7 procent, Het Financieele Dagblad 5/7 november 1994). Dat is één. Twee is dat die 2,25 procent "iets" omlaag kan "als er in de bedrijven echt meer banen bij komen" (FNV Magazine, 6 oktober 1994). Maar dat is in tegenspraak met wat mensen in die enquête gezegd hebben, terwijl cao-koördinator Henk Krul meldt dat het beleid door de enquête wordt gesteund. Zo gaat het dus.

Geen gebrek aan beter

Natuurlijk vormt manipulatie van meningen niet de kern van het atv-probleem. Het beleid van de vakbeweging is zo ondergedompeld in de logika van het kapitalisme dat loon afgemeten wordt aan de duur van de arbeidsprestatie en niet aan de waarde die de arbeid voortbrengt. In het verlengde daarvan ligt dat de private beslissing over de verdeling van die waarde niet principieel bestreden wordt. Dit is de kern van het probleem en dat reikt verder dan het vraagstuk van de atv. We hebben dat gezien in het citaat aan het begin van dit artikel. In het beruchte Van Veen-Kok akkoord van november 1982 is dit nog eens dunnetjes overgedaan. Een kort stukje tekst dat model staat voor het 'meedenk-syndroom' van de vakbeweging. Winstherstel dat ten koste van de automatiese prijskompensatie via een beetje atv tot werk zou moeten leiden. Dit akkoord heeft atv voor jaren verbonden aan verlies van koopkracht en aan illusies over de bereidheid van ondernemers om extra werk 'aan te bieden'. Het is de hoogste tijd dat deze verbinding doorbroken wordt. Pas dan kan de vakbeweging haar principiële taak van behartiging van de kollektieve belangen van werkne(e)m(st)ers en uitkeringsgerechtigden waarmaken. Een 'algemene en forse' atv, zonder koopkrachtverlies en met kontrole op een zo volledige mogelijke bezetting van de vrijkomende arbeidsplaatsen, is daarin een rode draad. Uit niets en zeker niet uit enquêtes en andere ledenraadplegingen blijkt dat mensen een dergelijk beleid zouden afwijzen. Voor zover het huidige beleid steun krijgt, heeft dat veel weg van een keuze uit kwaden. Een instemming bij gebrek aan beter. Dat 'betere' zal echter niet moeten blijven steken in goede gedachten. Om ze in een beweging om te zetten, zullen we aan het werk moeten. Uitleggen, overtuigen, reëel maken van perspektieven en organiseren, dat is wat ons te doen staat.

Hans Boot