|
nr. 119 juni 2004 |
Solidariteit
Portret - een blik op het leven van Henny Zwart"Ik heb maar één klassenvijand: de kapitalisten"Zaterdagmiddag rond een uur of één bel ik aan bij Henny Zwart. Het zonnetje schijnt lekker. Ik denk nog: "hadden we maar op een terrasje afgesproken in plaats van bij haar thuis." Ik bel nogmaals en twee honden beginnen te blaffen. Of hun leven er vanaf hangt. "Ben jij dat?", zegt Henny: "ik was het al helemaal vergeten en dacht wie kan dat nu zijn." Direct zag ik weer het terrasje aan de overkant. "Komt het wel goed uit, Henny?", vraag ik nog niet wetend dat het één van de leukste interviews zal worden uit mijn tijd bij Solidariteit. "Ja natuurlijk, jongen", zegt ze.Henny Zwart vertelt dat ze abonnee is vanaf het tweede nummer van Solidariteit. Ze weet niet meer precies wanneer dat was. "Maar wel al heel lang geleden, Ton." "Ik werkte toen op de redactie van De Waarheid. Dat eerste nummer lag als een presentje bij de post. Met het verzoek het blad te bespreken. Dat gebeurde ook. Nee, niet door mij. Maar ik pikte het daarna wel in. Ik vond het een goed blad, een waardevolle aanvulling op alles wat er al was. Waarom? Omdat het veel informatie gaf. Over mensen en over vakbondszaken. Ik was al lid van de Industriebond FNV en heb me later over laten schrijven naar de Vrouwenbond van de FNV. Tot vandaag ben ik daar lid van. Ik voldeed dus aan de 'eisen' die Solidariteit - het lidmaatschap van een vakbond - in beginsel stelde. Vooral in de toevoeging 'voor een strijdbare vakbeweging' kon ik me vinden, of gewoon in 'Idols' jargon, ik vond dat tof!" Bontwerkster"Natuurlijk ben ik mee gaan werken in de redactie, toen me dat gevraagd werd. Ondanks verschillen over (sommige) opvattingen, heb ik me altijd thuis gevoeld in het collectief dat het mogelijk maakte het blad uit te geven. Omdat het wezenlijk ging om het belang van de strijd én die onontbeerlijke solidariteit. Daarmee was ik trouwens in Amsterdam Oost grootgebracht. Mijn grootvader was niet alleen stokoud, maar daarbij van jongs af aan overtuigd anarchist. Zodoende wist ik als kind al alles van de Franse revolutie waar ene Marat volgens mijn grootvader de held was. En dat de SDAP niet te vertrouwen was, Troelstra incluis, en dat alleen Domela Nieuwenhuis gedeugd had. Mijn grootvader en ik. We hadden vaak ruzie, want ik was meer voor Lenin en Stalin. En voor de Russische revolutie en vooral voor het Rode Leger. Want ik had de oorlog - en niet die van 1914-1918, maar die laatste - zelf meegemaakt als kind. Ik was twaalf jaar bij de bevrijding in 1945. 'Wat nou, Grova! U met uw wapenen der barbaren. Leve generaal Alexandrow.' Later kwam ik er achter dat die Alexander helemaal geen generaal was, maar de dirigent van het soldatenkoor van het Rode Leger. Ze hadden goed gevochten en zongen mooi. En zo marcheerde ik naar de volwassenheid. Ik werd op mijn veertiende verjaardag door een broer van mijn moeder, die een bekwaam en daardoor geacht bontwerker was, bij mijn eerste baas afgeleverd. Oom Herman had een amicaal onderhoud met de eigenaar. Het gesprek duurde lang. Wat me erg verbaasde. Dat kwam, omdat de patroon, meneer Anzinger van het gerenommeerde Pels- en Bontatelier René geen woord Nederlands sprak. Maar het gesprek tussen oom en baas had nut. Ik verdween dus iedere morgen klokslag acht uur in mijn werkruimte die gevestigd was in het souterrain van een pand aan de Keizersgracht. Schuin tegenover gebouw Felix Meritis waar net De Waarheid gevestigd was. In het bontatelier was ik een regelrechte ramp voor de joodse patroon die de oorlog overleefd had. Ik verstond niet wat hij tegen me brabbelde, maar z'n steeds afkeurend schuddende hoofd liet daarover geen twijfel. Ik leek in niets op z'n grote vriend en vakman, mijn ome Herman, het apengatje van mijn grootmoeder waar ik toen in huis was. Later hoorde ik van mijn oom hoe het zat.
Nou, ik snapte er geen barst van. Ik wist wel dat ik veel naalden brak, zowel bij het hand als bij het machinale stikwerk, en dat dit heel erg was in een tijd van naaldenschaarste. 'Geen baas in het bont wil jou nog hebben, je bent echt het gesprek van de dag', vertelde ome Herman. 'Weet je wat ik hoor op de andere ateliers over jou? Herman, zijn we verlost van de nazi's krijgen we jouw kleine magere nichtje op ons dak.' Meneer Artzinger haalde verlicht adem, toen ik hem na ampele weken vertelde dat ik ontslag nam. 'Ist ja schon goet', was alles wat hij zei. En ik op weg naar de overkant waar De Waarheid zat." Kopijmeisje"Na enkele gesprekken en de belofte dat ik naar de avondschool zou gaan, werd ik aangenomen als kopijmeisje. Het betekende dat ik vliegensvlug de kopij vanaf de redactieburelen binnendoor naar de zetterij moest brengen. Ik deed dat samen en op tourbeurt met Appie Haks, we renden ons rot maar we hadden er lol in en werden allebei nog magerder dan we al waren. Expeditiechef Piet Schrabacq noemde ons liefkozend 'de snelle skeletten' en bijna dagelijks kregen we van de één of de andere zetter een deel van zijn voorgeschreven rantsoen melk. Af en toe mochten we ook wel iets schrijven. Ik verdween bij de krant toen ik 19 was en trouwde met Nico Zwart. We hadden nog geen woning, maar trokken in bij mijn schoonouders. Ik werd steeds dikker en dikker. Dat kwam deels, omdat ik niet meer zo rende. Maar ook, omdat mijn schoonmoeder heel lekker kon koken. En, omdat ik in verwachting was van mijn eerste baby. We kregen er nog drie zoontjes bij die nu ook al haast opa zijn. Daarna zijn we maar gescheiden. Dat gaf natuurlijk wat heisa. Maar zoals Spinoza al zei - volgens mijn grootvader - 'alles komt terecht'. Veel later kwam ik er achter dat ene Vader Cats het gezegd had. De slijmerd. Maar goed, het sierde mijn grootvader toch dat hij veel en vaak Spinoza citeerde. Dat mag dan best een enkele keer fout zijn." Verslaggeefster"Maar nu toch echt terug naar het nut van Solidariteit en mijn verbintenis ermee. Ik maakte uiteraard kennis met de oprichters van het nieuwe blad. Rein van der Horst en Hans Boot. Ik vond ze aardig en belezen. Ze legden geen drempels voor een communist - als ik was en ben -zoals ik dat in de vakbeweging intussen wel ervaren had. Pas veel later is het 'communistenverbod' in de bonden opgeheven. In mijn geval volgde de toelating, nadat een pas benoemde voorzitter, Arie Groenvelt, op een massaal bezochte stakersvergadering in Krasnapolsky dat taboe doorbrak en me persoonlijk inschreef. Ook, omdat kaderleden daarop hadden aangedrongen. Het was eigenlijk logisch, want ik had een aandeel gehad in de voorbereiding van de staking bij Hazemeyer/Heemaf. Daar werkte ik, nadat ik bij de krant weg was, en ook uit de zuigelingen. De stakingen toen gingen over het recht op staken. Met de kaderleden van 'Haas' ging ik dus als niet-lid mee. Na afloop werd ik uitbundig gefeliciteerd door de bondsleden die ik uiteraard kende, waarbij de penningmeester van de afdeling Amsterdam niet verzuimde me te vertellen hoe hoog het bedrag van de contributie was. 'Geld spielt keine Rolle', moet ik gezegd hebben. Zo trots kan een mens zijn in z'n onnozelheid, want ik had ongewild de gevleugelde woorden van mijn eerste baas van het bontatelier gebruikt. Maar alla, zouden de Belgen zeggen en dan citeren ze niet uit de koran. Die staking had trouwens gevolgen voor me. De directeur van Hazemeyer wilde me niet meer als z'n secretaresse. Er werd me wel heel fatsoenlijk een afvloeiingsregeling aangeboden vanuit het hoofdkantoor in Hengelo. Daarna ben ik opnieuw bij de redactie van De Waarheid gaan werken. 'Maar niet als kopijmeisje', zei ik meteen. De redactiesecretaris antwoordde: 'Nee, natuurlijk niet. Alle kopij gaat tegenwoordig automatisch naar beneden.'
En daar trof ik dus, als verslaggeefster, dat eerste nummer. Die mijlpaal, dat allereerste nummer van Solidariteit. Ik werd gevraagd mee te werken aan artikelen. Grote gebeurtenissen lagen in het verschiet. Maar dat wist ik op dat heikele moment nog niet. Ik maakte kennis met de redactie en wat zich er omheen voor het goede doel bewoog. De meeste mensen kende ik al. Nieuw voor mij was de harde werkster Hansje Fransen van der Putte die bijna drie jaar geleden overleed. En we hadden het er maar druk mee, want 'de Sol' was geen debatingclub. We waren fanatiek bezig met het doel: de positie van leden in en met de vakbond versterken. Je weet wel, voor een strijdbare vakbeweging. Met de mensen uit de havens, de overheid, metaal, Fokker, ADM en NDSM. En dat niet alleen in Amsterdam, want hetzelfde was het geval in Rotterdam of om een andere zijstraat te noemen Vlissingen. ActievoersterSolidariteit was niet alleen een vlotte leus. Toen de Britse mijnwerkers in 1984 in actie kwamen voor behoud van hun werk, startte Solidariteit gelijk een steuncampagne. Delegaties van Britse mijnwerkers werden uitgenodigd om te spreken op vergaderingen, in Amsterdam, en Rotterdam maar ook in andere steden. Er was in die tijd een behoorlijk internationaal verkeer. Ik herinner me een straatmeeting bij het Beursgebouw, hier in Amsterdam. Solidariteit had voor alles gezorgd, eerst een goed bezette bijeenkomst in Die Port van Cleve met een vakbondsbestuurder uit Glasgow, daarna die meeting nota bene voor niet minder dan 'alle' Amsterdammers op het Beursplein. Voor alles was gezorgd, behalve voor een beetje normaal weer. Op het Beursplein, wat kan zo'n plein groot zijn, stonden alleen maar 'solidaritisten' met op het podium de spreker, een tolk en de technicus voor het geluid, want het weer was bar en boos. Vele graden onder nul. Na afloop maakte ik excuus aan de Schotse spreker. Wegens de minimale opkomst en het slechte weer. Maar de vakbondsman reageerde buitengewoon Schots. Wat maakt het uit, een halfvol of een vol plein is hetzelfde, gedachtig het principe dat een half glas whisky toch beter is dan een leeg glas! En het slechte weer? Hij had de weerberichten 's ochtends nog gecheckt bij de BBC. Hem trof de blaam. Niet ons. 'Wist ik wel dat het bloody rot weer regelrecht uit Schotland kwam?' Kijk, die opbeurende dingen kwam je nou tegen bij activiteiten georganiseerd door Solidariteit. Mooi toch. En niet vergeten, hoor! Gewoon voorwaarts gaan. Ton, je zegt, we leven dan wel in het kapitalisme, maar we hebben in ieder geval geen honger meer. Ik heb andere tijden meegemaakt. Maar het kapitalisme mag dan zachtmoedig lijken, het heeft vele koloniale oorlogen gevoerd. Net zoals Bush nou doet in Irak en wat er nog op zal volgen als hij de kans krijgt. Het draait om kapitaal, wereldmacht en olie. Daarom heb ik maar één klassenvijand: de kapitalisten. Nu is er eigenlijk geen georganiseerde arbeidersbeweging meer. En solidariteit is er ook niet meer. Ik heb respect voor de mensen die opkomen voor de Derde Wereld waar de bevolking nog steeds crepeert. Hier word je ook uitgebuit, maar je hebt er geen honger bij. Nu kom je wel heel andere groepen mensen tegen die zich het lot van de wereld aantrekken. Als er geprotesteerd moet worden tegen het onmenselijk beleid van uitzetting van buitenlanders of asielzoekers, moet je naar de kerk om via nachtwaken je solidariteit te betuigen. Het glanspunt van dat soort acties schijnt zich ook verplaatst te hebben. Naar de noordelijke provincies. Friese notabelen samen met de bevolking. Ik vind het prachtig, nee, hartverwarmend. Dat is het." Ton Dijkstra
|