Reactie op commentaar 41 Webzine Solidariteit (14 mei 2006)Flexmens.org: Beter werkweigering dan vast contractWat wil de flexmens? Deze vraag wierp Hans Boot op in commentaar 41 van Webzine Solidariteit. Aangezien wij als collectief "flexmens" heten, is het niet verwonderlijk dat wij ons aangesproken voelden. Het gaat daarbij niet zozeer om wat wij als collectiefje voor ambities hebben, maar wat deze mysterieuze figuur van 'de flexmens' eigenlijk is: een liberaal of een radicaal? In januari dit jaar verscheen er een documentaire van de VPRO met als titel "de Flexmens". Daarin doemt het beeld op van een zich globaliserende arbeidsmarkt, waar de Nederlandse werknemer zich continu moet blijven ontwikkelen om zijn baan niet te zien verdwijnen naar opkomende economieën als India en China. Zich omtoveren tot een plooibare Flexmens is één van de overlevingsstrategieën, met een mogelijke verhuizing naar India als logische vervolgstap in de carrière. Flexibele persoonlijkheidAan de andere kant is er het beeld dat het collectief Flexmens voor ogen stond, toen wij in de zomer 2004 ons eerst blaadje onder die titel publiceerde. In een nachtelijke brainstorm zagen wij de flexmens juist als een sociale kritiek op een tendens waarbij de mens gedwongen wordt zich steeds meer te plooien naar de abstracte discipline van de markt. Hier tegenover stellen wij dat flexibiliteit ook een progressieve eis kan zijn, de eis zelf je leven te kunnen inrichten, zelf te kunnen bepalen hoeveel je werkt, waar je werkt. Flexibiliteit als vrijheid of zelfbeschikking, wat dan wel gekoppeld moet gaan aan nieuwe vormen van zekerheid. ContractkapitalismeMaar het gaat ons niet zozeer om het maken van een verdeling tussen verschillende 'soorten' mensen in de maatschappij, een klassenanalyse of een sociale typologie, zoals Herre de Vries in commentaar 42 van Webzine Solidariteit deed met een driedeling in "nomades, settlers en ontheemden". Juist het feit dat iedereen met dezelfde onderliggende tendens te maken krijgt, maakt het idee van de flexmens een mogelijk voertuig van kritiek. Het opent mogelijkheden voor identificatie tussen mensen die zich voorheen als aparte klassen zagen; arbeiders, migranten, kenniswerkers. Een vast contract is niet de enige weg naar bestaanszekerheid. Het is weliswaar zo dat de loonverhouding de context vormt van veel vormen van sociale strijd (conflict over de hoogte van lonen, over werktijd en vrije tijd, over machtsverhoudingen, garanties, procedures, enzovoort). Maar de stabilisering van die verhouding (het 'recht op werk') is geen aantrekkelijk perspectief, en als strategisch model zelfs totaal ongeschikt. In tegenstelling tot het recht op werk zag Lafargue het communisme als een beweging die door druk uit te oefenen voor minder uren en hogere lonen, de technologische ontwikkeling kon sturen naar een maatschappij met zo min mogelijk werk: "The end of revolution is not the triumph of justice, morality and liberty . . . but to work the least possible and to enjoy oneself intellectually and physically the most possible." Uiteindelijk is het alleen deze beweging die, in de geest van Lafargue, het commando over arbeidskracht (waarop onze economie gebaseerd is) in twijfel trekt, en het aura van normaliteit ervan uitwist. AutonomieWij willen vorm geven aan een nieuwe zekerheid, flexicurity. Gratis toegang tot scholing en een basisinkomen. Afwisseling van werk, scholing, combinaties van beide, circulatie. Geen dwang om 'welk werk dan ook' te accepteren, maar zelfontwikkeling en autonomie, en zekerheid over essentiële zaken als huisvesting. Hans Boot stelt de sombere vraag: heeft de flexmens wel de kracht om daarvoor op te kunnen komen. Volgens hem heeft de moderne flexmens geen poot om op te staan. Ze is volkomen inwisselbaar, nulurencontracten en uitzendbureaus zorgen ervoor dat ze overal op staande voet ontslagen kan worden. 'Dat is er een van Tempo Team …', of misschien werkt de flexmens wel zwart? Het jobhoppen zorgt ervoor dat er geen verbanden meer worden opgebouwd op 'de werkplek. De mogelijkheden die de havenarbeiders nog hadden, zijn verdwenen. Zij hadden een krachtsmiddel, en er was enkel collectieve vastberadenheid nodig. Als er een schip binnenkwam, dan moest het gelost worden, werkgevers hadden geen andere keus dan aan de eisen van werkers te voldoen. Maar hoe anders is het in een volle supermarkt op zaterdag, in een callcenter, of een magazijn? Op dit punt is het dat 'werkweigering' - het tactisch gebruik van subjectiviteit en conflictualiteit op de werkvloer - zijn onverminderde kracht toont. Heeft de filiaalmanager van nu werkelijk zoveel meer mogelijkheden dan de havenbaron van honderd jaar geleden? Hoe staat het met de verbanden tussen werkplekken? Zijn die bij conflicten minder waardevol dan verbanden die ophouden waar de werkplek eindigt? Als de havenarbeiders hun rechten konden bevechten, waarom zou de actuele diversiteit van werkers daar niet toe in staat zijn? Dit is geen gevecht voor een fulltime 'baan voor het leven', maar in plaats daarvan: vóór onze autonomie in en tegen deze economie. Een gevecht voor minder werk, meer loon, en meer zeggenschap om onze dagen in te richten. Onze flexibiliteit en beweeglijkheid zijn in dit conflict geen zwakte, maar wapens tegen het ethos van gereguleerde afhankelijkheid. Zie voor het artikel van Brian Holmes:
www.noemalab.org/sections/ideas/ideas_articles/holmes_personality.html |