welkom
commentaren
Solidariteit

Solidariteit commentaar 209 - 21 oktober 2012

Vakbeweging - erop of eronder

Wim van Noort

Bij de verkiezingsuitslagen in Nederland doen zich veel schommelingen voor, maar op lange termijn gezien is er één trend aanwezig: een verschuiving in aanhang van de christelijke naar de liberale partijen. En de teruggang van de vakbeweging, hoe is het daarmee?

In de eerste twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog haalden de christelijke partijen bij elkaar meer dan 50 procent van de stemmen. Sindsdien is dat aandeel, met pieken en dalen, sterk teruggelopen, tot nog geen 15 procent bij de laatste verkiezingen. De linkse partijen hebben daar niet van geprofiteerd. De aanhang van de linkse partijen (PvdA, SP, GroenLinks, respectievelijk de voorgangers van GroenLinks) ligt vrijwel altijd tussen de 30 en 40 procent van de stemmen. Een linkse meerderheid is in Nederland, anders dan in de meeste Europese landen, nooit aan de orde geweest. De grootste profiteur van de leegloop van de christelijke partijen is de VVD; Nederland wordt in politiek opzicht steeds meer een liberaal-conservatief land.

Magere campagne FNV

Lange tijd was de inzet van de linkse partijen en van de linkse vakbeweging om de vele christelijke arbeiders, die op christelijke partijen stemden en lid waren van een christelijke vakbond, te winnen voor een linkse politiek. Dat streven is niet of nauwelijks gelukt. Het is de linkse partijen wel gelukt om voet aan de grond te krijgen in het katholieke zuiden, maar ook daar is de zuigkracht van de VVD (en ook de PVV) groot. In het westen domineert de VVD. Noord- en Zuid-Holland zijn liberale bolwerken, met de grote steden als linkse enclaves. Alleen in het noorden weet de VVD nog niet door te dringen.
De FNV heeft bij de laatste verkiezingen campagne gevoerd tegen het Kunduz-akkoord en de vijf partijen die dit ondersteunden. Die partijen verloren bij elkaar twee zetels. De twee van de vijf Kunduz-partijen die het verst van de vakbeweging afstaan, VVD en D66, wonnen echter samen twaalf zetels. Er kan dan ook niet van een succesvolle campagne gesproken worden.

Dalende organisatiegraad

Het perspectief voor de vakbeweging is nu ook anders dan enkele decennia geleden. Het gaat er niet meer primair om een eenheidsvakbeweging voor alle levensbeschouwelijke gezindten te scheppen. Er zijn nog steeds drie 'erkende' vakcentrales, maar de FNV is verreweg de grootste. Het probleem is veel meer de sterk dalende organisatiegraad. Volgens recente cijfers van het CBS is de organisatiegraad de afgelopen tien jaar langzaam maar zeker verder teruggelopen, van 25 naar 20 procent.
De vergrijzing neemt dramatische vormen aan; nog maar 6 procent van de jongeren is georganiseerd, tegen 29 procent van de beroepsbevolking tussen de 45 en 64 jaar. Alleen in het openbaar bestuur (34 procent), de bouw (31 procent), de nutsbedrijven (31 procent) en het onderwijs (30 procent) stelt de vakbeweging getalsmatig nog wat voor. In de uitdijende sector van de commerciële dienstverlening mist de vakbeweging met een organisatiegraad van 14 procent nog steeds de boot. De organisatiegraad komt in het noorden nog rond de 30 procent uit, maar is in het westen en zuiden 20 procent of lager. De enige lichtpuntjes zijn dat de teruggang bij vrouwen en niet westerse allochtonen duidelijk minder is.

Flexibel en gedecentraliseerd

De vraag is natuurlijk hoe het tij te keren is en hoe de vakbeweging haar positie kan versterken onder bijvoorbeeld jongeren en werkers in de commerciële dienstverlening. De sterke liberaal-conservatieve stroom staat op gespannen voet met waarden als solidariteit en strijdbaarheid. De vakbeweging lijkt hetzelfde lot te ondergaan als kerken en andere oude instituties. Oproepen tot vergroting van de solidariteit en strijdbaarheid zullen zeker op korte termijn niet helpen; een 'SP-vakbeweging' zal in sommige bedrijfssectoren zeker een vuist kunnen maken, zoals de ervaringen van de schoonmakers leren, maar krijgt geen aansluiting bij grote delen van de beroepsbevolking.
Het probleem van de vakbeweging is in feite een probleem van links als geheel, namelijk hoe solidariteit in een steeds liberalere samenleving nog vorm kan krijgen. Ik kan hier ook het beslissende antwoord op dit probleem niet geven, maar wil wel een aantal suggesties doen. Het doel van de vakbeweging moet nog steeds zijn: de bevrijding van de arbeid, maar de oude vormen en gedachten moeten afsterven.

* De differentiatie in positie, belangen en bewustzijn lijkt onder de beroepsbevolking nog steeds toe te nemen. De vakbeweging zal daar haar strategie en structuur op af moeten stemmen, door veel meer flexibele en gedecentraliseerde organisatievormen.
* Het is de hoogste tijd dat de vakbeweging zich minder richt op de formele overlegstructuren als de SER, de PBO en de Stichting van de Arbeid en zich sterker maakt voor wat er op de werkvloer leeft.
Meer individuele dienstverlening is ook een methode om leden te winnen en binden. Er is niets tegen een sociale ANWB, mits het inderdaad sociaal blijft.

Klik hier